UFC studiedag: Van Casus tot behandeling

Op 03/02/2026 organiseerden we onze studiedag rond het uitbrengen van ons casusboek. Er werden een aantal thema’s uitgelicht en doorheen de dag verder uitgediept door de auteurs. 

Reflecties uit de klinische praktijk – Liesbeth Merckx & Prof. Luk Gijs

‘Waar staan we? Zijn we op de goede weg? Is het glas halfvol of halfleeg?’ Met deze centrale vragen openden Liesbeth Merckx en Prof. Luk Gijs hun gezamenlijke bijdrage “Reflecties uit de klinische praktijk”, waarin ze een kritisch overzicht schetsten van de stand van zaken in het klinisch werken met daders van seksueel grensoverschrijdend gedrag (SGG). Vertrekkend vanuit praktijkervaring en wetenschappelijke literatuur stelden zij vast dat het probleem structureel en hardnekkig blijft, met een hoge prevalentie die ondanks jarenlange inspanningen op preventief, primair en secundair niveau nauwelijks daalt.

In de lezing werd bij verschillende aspecten van SGG stilgestaan, telkens met een reflectieve en toekomstgerichte blik. Zo werd de complexiteit van de terminonologie rond seksueel grensoverschrijdend gedrag benadrukt, met de belangrijke kanttekening dat begrippen weliswaar nodig zijn om een gedeelde taal te hanteren, maar niet doorslaggevend mogen zijn voor het al dan niet spreken over seksueel geweld. Daarnaast onderstreepten de sprekers de centrale plaats van het criterium toestemming in de definitie van SGG, waarbij ze nuanceerden dat toestemming geen eenvoudig ja/nee concept is, maar een dynamisch en relationeel proces dat actief moet worden aangeleerd, herkend en correct geïnterpreteerd moet worden, en dat dit leerproces ook een expliciete plaats dient te krijgen binnen therapeutische trajecten. Daarnaast werd uitgebreid stilgestaan bij de comorbiditeit met psychiatrische stoornissen en de relatie tussen beide, met de belangrijke nuancering dat SGG geen psychiatrische stoornis is en dat psychische problematiek geen determinante oorzaak vormt, maar wel een relevante rol kan spelen als bevorderende of contextuele factor. In dat kader hield prof. Gijs een expliciet pleidooi voor meer aandacht in de literatuur voor de rol van psychiatrische stoornissen bij het begrijpen en bespreken van seksueel geweld. Ook de theorievorming rond SGG kwam aan bod, met onder meer het model van Marshal & Barbaree, het Confluence model, het Risk-need-responsivity model en het Good lives model, die elk vanuit een verschillend mensbeeld en verklaringskader aankopingspunten bieden voor klinisiche interventie. De centrale conclusie was dat geen enkele theorie allesomvattend is en dat seksueel geweld per definitie multifactorieel is, wat impliceert dat diagnostiek en behandeling een geïntegreerde, multi-methodische aanpak vereisen. In dat kader werd ook vooruitgeblikt naar nieuwe ontwikkelingen binnen de diagnostiek, zoals het gebruik van artificiële intelligentie, met de duidelijke waarschuwing dat privacy, databescherming en ethische reflectie centraal moeten blijven staan en dat verder onderzoek noodzakelijk is.

Vanuit deze brede en genuanceerde kijk op diagnostiek en theorievorming werd ook het belang van behandeling in perspectief geplaatst. Daarbij benadrukten ze dat forensisch-klinisch perspectief weldegelijk relevant en nuttig is, maar tegelijk fundamenteel begrensd blijft in zijn impact en nauwelijks bijdraagt aan echte primaire preventie. De prevalentie blijft hoog, het probleem is hardnekkig en een quick fix bestaat niet. Afsluitend keerden de sprekers terug naar hun centrale reflectieve vraag — ‘is het glas halfvol of halfleeg?’ — met het genuanceerde antwoord dat het glas halfvol is, op voorwaarde dat men bereid blijft om kritisch te reflecteren, realistische verwachtingen te hanteren en vooral blijvend te investeren in wetenschappelijk onderzoek.

Farmacotherapie bij seksueel grensoverschrijdend gedrag van daders en neuropsychiatrische patiënten – Prof. dr. Kris Goethals

In zijn lezing “Farmacotherapie bij seksueel grensoverschrijdend gedrag van daders en neuropsychiatrische patiënten” gaf Prof. dr. Kris Goethals een helder overzicht van wat farmacologische interventies kunnen betekenen binnen de behandeling van SGG. Prof. Goethals benadrukte dat de hoeksteen van elke behandeling altijd psychotherapie blijft, en dat medicatie hoogstens ondersteunend en aanvullend kan zijn. Internationale richtlijnen tonen volgens hem een duidelijk en stapsgewijs behandelmodel: starten met psychotherapie, eventueel aangevuld met SSRI’s, en pas bij ernstige, gevaarlijke of therapieresistente problematiek overgaan tot hormonale behandelingen zoals anti-androgenen of GnRH-agonisten. Daarnaast wees hij op het belang van interdisciplinaire samenwerking, met onder meer endocrinologen en neurologen, gezien de aanzienlijke risico’s en mogelijke bijwerkingen van deze behandelingen. Tot slot benadrukte hij dat bij elke ingrijpende farmacologische interventie steeds het “juridisch zakmes” moet worden bovengehaald: proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid moeten telkens worden afgewogen. De kernboodschap was duidelijk: farmacotherapie kan nuttig zijn, maar nooit los van psychotherapie, nooit routinematig, en altijd met grote voorzichtigheid, ethische reflectie en interdisciplinaire samenwerking.

Autisme en seksueel grensoverschrijdend gedrag – Dr. Jeroen Dewinter & Alana Schuerwegen

In hun presentatie “Autisme en seksueel grensoverschrijdend gedrag” schetsten dr. Jeroen Dewinter en Alana Schuerwegen een genuanceerd kader om gedrag en (seksualiteits)beleving bij mensen met autisme beter te begrijpen. Ze benadrukten de evolutie in het denken over autisme, van een deficitbenadering naar het perspectief van neurodiversiteit, waarin verschillen in informatieverwerking als variatie worden gezien en generalisaties over “de” persoon met autisme weinig zinvol zijn. Effectieve hulpverlening dient dan ook steeds te vertrekken vanuit individuele noden en belevingswerelden.

Een kerninzicht was dat seksuele moeilijkheden zelden voortkomen uit onwil of negatieve intenties, maar vooral samenhangen met beperkingen in sociale interpretatie, prikkelverwerking en het begrijpen van impliciete seksuele scripts. Seksueel grensoverschrijdend gedrag blijkt daarbij meestal verband te houden met beperkte seksuele voorlichting, moeite met het herkennen en respecteren van grenzen en problemen in sociale en intieme relaties. Helaas blijkt ook het huidige hulpverleningsaanbod vaak nog onvoldoende afgestemd op deze specifieke informatieverwerkingsbehoeften van cliënten.

Voor behandeling pleitten de gastsprekers  voor maatwerk en contextgevoeligheid, met expliciete vertaling naar het dagelijks leven en betrokkenheid van de omgeving. Hulpmiddelen zoals het vlaggensysteem van Sensoa, psycho-educatie en een autismesensitieve werkhouding (SPACE-model) dienen als concrete handvaten. De centrale boodschap was dat effectieve hulpverlening vooral vraagt om vertraging, explicitering en afstemming. Begrijpen hoe iemand de wereld waarneemt, vormt een noodzakelijke basis om therapeutisch aan te sluiten bij de cliënt.

Aanbevolen literatuur en kijkmateriaal:

  • Exploring autistic sexualities, relationality and genders door Hanna Bertilsdotter Rosqvist, Anna Day en Meaghan Kranzinski: Een wetenschappelijk onderbouwd boek dat de diversiteit in seksuele identiteit, relaties en gender bij mensen met autisme in kaart brengt, vanuit hun eigen perspectief.
  • Relaties@autisme.com – Praktisch en toegankelijk boek rond vriendschap, relaties en sociale interactie bij mensen met autisme.
  • Seks@autisme.com – Psycho-educatief boek over seksualiteit, grenzen en intimiteit, specifiek afgestemd op mensen met autisme.
  • Mind My Mind – Animatiefilm die op indringende wijze toont hoe iemand met autisme de wereld ervaart, met aandacht voor prikkelverwerking, relaties en het dagelijks functioneren; aanbevolen als psycho-educatief materiaal voor zowel cliënten als hulpverleners.

Psychopathie: tussen karikatuur en klinische werkelijkheid – Prof. dr. Kasia Uzieblo

In haar bijdrage “Psychopathie: tussen karikatuur en klinische werkelijkheid” bood prof. dr. Kasia Uzieblo een kritisch en genuanceerd tegengewicht voor de vaak stereotiepe en simplistische kijk op psychopathie. Ze benadrukte dat psychopathie geen eenduidige categorie is, maar beter begrepen wordt als een heterogeen persoonlijkheidsconstruct met variaties in emotieverwerking, interpersoonlijk gedrag en impulsief, antisociaal gedrag. Een belangrijk kerninzicht was dat personen met psychopathische trekken niet fundamenteel “anders” zijn dan de algemene bevolking, maar vooral meer moeilijkheden ervaren op verschillende levensdomeinen. Prof. Uzieblo lichtte vervolgens de Hare Psychopathy Checklist–Revised (PCL-R) toe als het meest gangbare klinische instrument om psychopathische trekken te meten. Hierbij waarschuwde dr. Uzieblo voor een te sterke focus op globale totaalscores en pleitte ze voor een meer facetgerichte interpretatie met expliciete aandacht voor onderliggende mechanismen.

Daarnaast nuanceerde ze ook de relatie met SGG: psychopathie blijkt slechts zwak tot matig samen te hangen met seksuele agressie en is geen sterke voorspeller van seksuele recidive, waardoor risico-inschatting beter gebeurt met gespecialiseerde risicotaxatie-instrumenten dan met psychopathieschalen. Wat behandeling betreft weerlegde ze het hardnekkige idee dat deze doelgroep a priori “onbehandelbaar” is. Studies tonen aan dat vooral interventies gericht op het antisociale en impulsieve component effect kunnen hebben op recidive.

De presentatie werd afgesloten met de kernboodschap dat deze doelgroep gepaard gaat met specifieke uitdagingen, wat een persoonlijke en doordachte aanpak vereist. De behandeling wordt bij voorkeur ingebed binnen een RNR-kader, waarbij het investeren in een therapeutische werkrelatie met duidelijk afgebakende grenzen en heldere verwachtingen essentieel is. Voor hulpverlener  impliceert dit een voortdurende inzet op reflectie en kennisontwikkeling, zowel met betrekking tot psychopathie als tot de individuele patiënt. Tot slot werd het belang van teamondersteuning via intervisie en supervisie onderstreept, om de complexiteit van het werk op een duurzame manier te kunnen blijven dragen.

Van risicotaxatie naar behandeling en management – Alana Schuerwegen & Minne De Boeck

In hun sessie “Van risicotaxatie naar behandeling en management” gaven internationaal gecertificeerde trainers in de Static-Stable-Acute (SSA)  Alana Schuerwegen en Minne De Boeck, een helder en praktijkgericht overzicht van hoe risicotaxatie kan worden ingezet om richting te geven aan behandeling en om de effectiviteit ervan te verhogen met het oog op recidivepreventie.

Onderzoek toont aan dat een behandeling pas effectief is wanneer ze wordt afgestemd op het individuele risiconiveau, de criminogene noden en de responsiviteitsfactoren van de cliënt. Wanneer dit niet gebeurt, kan dit zelfs contraproductief werken. In dat kader kan risicotaxatie kan ingezet worden als een hulpmiddel om onderscheid te maken tussen laag-, midden-, en hoogrisicoprofielen. Daarbij werd genuanceerd dat risicotaxatie nooit absolute zekerheid biedt, maar steeds een kansinschatting op groepsniveau blijft.

Het SSA risicotaxatie instrument biedt een gestructureerd kader om risico’s systematisch in kaart te brengen en behandeldoelen te formuleren. Risicotaxatie krijgt volgens de sprekers pas echt waarde wanneer ze wordt vertaald naar risicomanagement: concrete therapeutische doelen rond sociale relaties, dagstructuur, copingvaardigheden, probleemoplossend denken en gezonde seksualiteitsbeleving. Minne en Alana sloten af met de kernboodschap dat risicotaxatie geen administratieve oefening of tijdsverspilling is, maar een klinisch instrument dat richting en perspectief kan bieden, op voorwaarde dat men er voldoende expertise en tijd in investeert.

Interesse in ons casusboek? Klik hier voor meer info.