Tijdens de Journal Club van het UFC (23/03/2026) presenteerde ASO psychiatrie Stefaan van Meerbeeck een artikel over de relatie tussen chromosomale afwijkingen en criminaliteit, met als klinische insteek een patiëntcasus van een 34-jarige man met een voorgeschiedenis van een veroordeling voor verkrachting en een gekend Klinefelter-syndroom. Deze casus leidde tot de vraag of er een verband bestaat tussen Klinefelter en forensisch-psychiatrische problematiek. Het besproken artikel van Kirstine Stochholm et al. (2012) onderzoekt dit verband op populatieniveau.
Het Klinefelter-syndroom is een relatief frequente genetische aandoening (ongeveer 1–2,5 per 1000 mannen), gekenmerkt door een extra X-chromosoom (47,XXY). Slechts een minderheid van de patiënten wordt effectief gediagnosticeerd. Endocrinologisch gaat het gepaard met primair hypogonadisme en testosterontekort. Op psychiatrisch vlak zien we een vaak een bepaald cognitief ‘endofenotype’ met cognitieve symptomen en psychosociale moeilijkheden, zoals taalstoornissen, autismespectrumkenmerken en ADHD. Deze factoren kunnen mogelijks bijdragen aan sociaal disfunctioneren.
De studie betreft een grootschalige, Deense registergebaseerde cohortstudie (1978–2006), waarbij onder andere alle mannen met Klinefelter werden geïdentificeerd en vergeleken met tot 100 gematchte controles per patiënt. Criminaliteit werd gedefinieerd als de eerste veroordeling binnen acht categorieën (o.a. seksuele misdrijven, geweld, diefstal en brandstichting). De analyse gebeurde met behulp van hazard ratio’s (HR) en Kaplan-Meier-curves.
Voor mannen met Klinefelter-syndroom bleek het totale risico op veroordeling vergelijkbaar met de algemene bevolking. Wanneer verkeersdelicten werden uitgesloten, werd echter een significant verhoogd risico vastgesteld. Vooral seksuele misdrijven, diefstal/inbraak en brandstichting kwamen vaker voor. Opvallend was dat verkeersdelicten net minder frequent voorkwamen.
Een belangrijke bevinding is de invloed van sociaaleconomische factoren. Na correctie voor variabelen zoals opleiding, samenwonen, vaderschap en pensionering, daalden de hazard ratio’s significant voor beide groepen. Dit suggereert dat ongunstige sociaaleconomische omstandigheden een belangrijke rol spelen in het verhoogde risico op criminaliteit. Daarnaast was het opvallend was dat een vroegere diagnose van Klinefelter geassocieerd was met een hogere kans op veroordeling, mogelijk als weerspiegeling van een ernstiger fenotype.
In de discussie van het artikel worden mogelijke verklaringen aangehaald, zoals cognitieve beperkingen, sociale moeilijkheden en problemen in seksuele communicatie. De verhoogde frequentie van seksuele misdrijven wordt onder meer hypothetisch verklaard door misinterpretatie van sociale signalen of seksuele frustratie. De rol van testosteronbehandeling blijft onduidelijk: hoewel substitutie mogelijk positieve effecten heeft, wordt ook gespeculeerd over een potentiële invloed op agressie, zonder harde evidentie.
De studie heeft belangrijke sterktes, waaronder de grote steekproef en het gebruik van objectieve registerdata. Beperkingen zijn het ontbreken van klinische variabelen zoals IQ, psychiatrische comorbiditeit en medicatiegebruik, die essentieel zijn voor een meer genuanceerde interpretatie.
De auteurs concluderen dat er een matig verhoogd risico op bepaalde vormen van criminaliteit bestaat bij mannen met Klinefelter maar dat dit grotendeels samenhangt met sociaaleconomische factoren. Verdere studies zijn nodig om de rol van vroege diagnose en behandeling beter te begrijpen en om mogelijke preventieve interventies te ontwikkelen.
Na de presentatie werd het artikel ook binnen het team besproken. Vanuit de klinische ervaring met patiënten met Klinefelter-syndroom werd bevestigd dat sociaaleconomische factoren vaak een belangrijke rol lijken te spelen in het functioneren van deze patiënten. Tegelijk werd het als een duidelijke beperking gezien dat er in de studie weinig informatie beschikbaar is over de impact van testosteronsubstitutietherapie, terwijl dit potentieel een belangrijke invloed kan hebben. Dit werd dan ook benoemd als een relevante piste voor toekomstig onderzoek. Tot slot werd benadrukt dat voorzichtigheid geboden is om deze patiëntengroep niet te stigmatiseren: hoewel er sprake lijkt van een verhoogde kwetsbaarheid, blijft het essentieel om dit in een bredere context te plaatsen en dit vooral als aandachtspunt mee te nemen in de klinische opvolging.
Referenties:
- Stochholm K, Bojesen A Fau – Jensen AS, Jensen As Fau – Juul S, Juul S Fau – Gravholt CH, Gravholt CH. Criminality in men with Klinefelter’s syndrome and XYY syndrome: a cohort study. (2044-6055 (Electronic)).
- Ballegeer R Fau – Demyttenaere K, Demyttenaere K Fau – Simons W, Simons W. [The Klinefelter syndrome: a systematic review of secondary psychiatric comorbidities]. (0303-7339 (Print)).